Het boek GROOS, met een portret van Paulien op de voorkant

GROOS

Het leven van Paulien

Dit is het eerste boek dat met Abrevity is gemaakt: het leven van Paulien, verteld toen ze 92 was. Tanja en Jasper voerden de gesprekken; wij maakten er een boek van.

De hoofdstukken schreef Abrevity op basis van de gesprekken. Tanja en Jasper kozen de foto's en gaven het voorwoord vorm.

Uit het voorwoord

In februari 2025 stapten we in de auto naar Harderwijk met een eenvoudig doel: de verhalen van (o)ma vastleggen nu het nog kan. Ze was 92 jaar en we hadden een lijst met vragen voorbereid, maar we hadden geen idee wat ons te wachten stond. Zou ze zich de details nog herinneren? Zou ze er wel zin in hebben?

We rekenden op een gesprek van misschien dertig minuten. Maar zodra we gingen zitten en de eerste vraag stelden, gebeurde er iets bijzonders. De verhalen kwamen niet alleen naar boven; ze stroomden. Het eerste gesprek duurde meer dan drie uur en toen we moesten gaan, was ze teleurgesteld dat het al voorbij was. Uiteindelijk zijn we vijf keer teruggekomen. We hebben in totaal veertien uur aan audio en video opgenomen. Omdat alles werd vastgelegd, hoefden we geen notities te maken. We konden simpelweg luisteren. Echt luisteren.

Wat ons het meest is bijgebleven van deze sessies, is niet eens de feitelijke geschiedenis, maar het plezier en de verbinding. We hebben gelachen om haar droge humor, ons verbaasd over haar scherpe geheugen en genoten van de tijd samen. We leerden de vrouw kennen achter de moeder en oma die wij dachten te kennen.


Hoofdstuk 1: Een hemel vol vliegtuigen

De ochtend van 10 mei 1940 begon niet met het gebruikelijke geluid van de stad die ontwaakt, maar met een diep, onheilspellend gebrom dat de muren van het huis in Crooswijk deed trillen. In de slaapkamer op de bovenverdieping, waar het dakraam een kader bood op de wereld daarbuiten, werd de zevenjarige Paulien wakker geschud uit haar kinderslaap. Ze kroop naar het venster en keek omhoog. Wat ze zag, tartte elke verbeelding van een jong meisje dat tot dan toe in een relatief beschermde wereld had geleefd.

"Heel de lucht vol en een hoop gebrom," zou ze zich die aanblik decennia later nog haarscherp herinneren. "Het leek net... Je ziet weleens een zwerm vogels. Nou, zo was het met die vliegtuigen ook. Ik lag in bed, dus ik keek zo de lucht in."

Het was geen zwerm vogels. Het was de Luftwaffe die in formatie over Rotterdam trok, een voorbode van vijf jaren die het aanzien van de stad en het leven van de familie voorgoed zouden veranderen. Paulien, geboren in 1932, was op dat moment nog net te jong om de geopolitieke implicaties te begrijpen, maar oud genoeg om de angst te voelen die door het huis trok. "Ik was me er eigenlijk nog niet van bewust dat het oorlog was, denk ik," zei ze later reflecterend. "Maar ik zie het nog als de dag van gisteren."

Beneden in de woning heerste een paniek die Paulien nooit eerder bij haar ouders had gezien. Haar vader, Herman, was een man van weinig woorden. Een binnenvetter, een harde werker in de bloemisterij die de familie al generaties lang beheerde. Hij was geen man die zijn emoties toonde. Maar die ochtend, terwijl de vliegtuigen overvlogen, zag Paulien iets wat haar wereldbeeld deed wankelen: haar vader huilde. "Mijn vader stond te huilen. Dat had ik nog nooit gezien. Ik heb hem nooit meer zien huilen. Nee."

Herman was reservist bij de luchtmacht. De mobilisatie betekende dat hij zich onmiddellijk moest melden. Terwijl de geruchtenstroom in de straat op gang kwam en de radioberichten de ernst van de situatie bevestigden, bereidde hij zich voor op vertrek. Paulien sloeg het tafereel gade. Ze zag hoe haar vader, met trillende handen maar vastberaden, stroken stof om zijn onderbenen wikkelde, de zogenaamde beenwindsels die deel uitmaakten van het militaire uniform van die tijd. "Ik weet nog goed dat mijn vader die lappen om zijn knieën zat te winden," vertelde ze. "Dat had je vroeger bij soldaten. Dat weet ik nog zo goed. […] Net als een zwachtel voor als je iets aan je been hebt."

Zijn zoontje Wim, nog een kleuter die de taal nog niet helemaal machtig was, keek met grote ogen toe en brabbelde hem na: "Poeties, poeties," een kinderlijke verbastering van het woord 'puttees'. Het was een moment van surrealistisch contrast: de onschuld van het kind tegenover de wanhoop van de vader die wist wat er op het spel stond. Hij moest opkomen, zijn gezin achterlaten in een stad die doelwit was geworden. "Hij is maar één of twee dagen weggeweest. Toen kwam hij weer thuis," herinnerde Paulien zich. De Duitse overmacht was zo groot en de capitulatie volgde zo snel, dat Herman nauwelijks de kans kreeg om te vechten. Maar de oorlog was in huis gehaald.

Beschuit met oranje muisjes

Om te begrijpen wie Paulien was op het moment dat die vliegtuigen overkwamen, moeten we kijken naar de jaren die eraan voorafgingen. Ze groeide op in een groot gezin in Rotterdam-Crooswijk, een volkswijk waar het leven zich grotendeels afspeelde rondom de tuinderij en bloemisterij van haar grootvader, Hendrik. Het was een familiebedrijf in de meest letterlijke zin van het woord. Opa Hendrik woonde in het benedenhuis, waar ook het kantoor was gevestigd. Paulien en haar ouders, broers en zus woonden in een bovenwoning, en later verhuisden ze steeds dichter naar de zaak toe. "Steeds in een ander huis, dichter bij de zaak, totdat mijn vader in dat benedenhuis kwam," legde Paulien uit.

Het leven in de jaren dertig was niet eenvoudig, maar er was een sterke sociale cohesie. De kerk speelde een centrale rol; Opa Hendrik was ouderling in de gereformeerde Noorderkerk en ook vader Herman was actief als diaken en later ouderling. Paulien herinnerde zich de zondagen in de kerkbanken, naast haar vader in de ouderlingenbank, en de momenten van nationale viering die zelfs in de klaslokalen doordrongen.

Een van haar helderste vooroorlogse herinneringen was de geboorte van prinses Beatrix in 1938. Op de kleuterschool, de A.S. Talmaschool waar haar grootvader in het bestuur zat, werd dit op traditionele wijze gevierd. "Ik weet wel dat er een keer een paar koks binnenkwamen met witte koksmutsen op," vertelde ze met een glimlach. "Als er iemand bij het Koninklijk Huis geboren was, kwamen ze beschuit met muisjes brengen." Voor een klein meisje waren die mannen in hun witte uniformen reuzen, dragers van iets magisch. "Ja, als klein kind lijken ze dan helemaal groot met die grote mutsen. Gekleurde muisjes, hè? Oranje, denk ik dat het was." Het waren momenten van onbezorgdheid, van een ordelijke wereld waarin tradities en koningshuis houvast boden.

Schaatsen tussen de bloemen

Het leven op de kwekerij bood, ondanks de armoede, een magische speelwereld die stadskinderen zelden kenden. Vooral in de winter, wanneer de sloten rondom de Rotte bevroren waren, werd de tuinderij een toevluchtsoord van warmte en avontuur.

Paulien herinnerde zich de fysieke sensatie van die middagen levendig. Buiten was het bijtend koud, maar in de kassen van haar vader en opa brandden de kachels om de tere planten en bloemen te beschermen. "We hadden een sloot aan de achterkant van de tuin. Daar brandde de verwarming voor de planten die ze in de kas kweekten," vertelde ze.

Het was een ritueel van contrasten. De kinderen kwamen met bevroren wangen en tintelende vingers van het ijs. "Als je het koud kreeg, ging je even de kas in." Daar, tussen de geur van vochtige aarde en cyclamen, deden ze hun schaatsen aan of warmden ze zich op bij de kachel. De overgang van de snijdende wind naar de vochtige warmte van de kas was een ultieme luxe. "En dan ging je op je schaatsen zo het ijs op."

De schaduw van de dood

Maar achter die façade van normaliteit en beschuit met muisjes, had Paulien al op jonge leeftijd kennisgemaakt met de schaduwzijden van het bestaan. In een tijd waarin de medische wetenschap nog beperkt was, was kindersterfte een realiteit die veel gezinnen trof, en het gezin bleef niet gespaard.

"We waren met z'n zessen, hè? Ja. En ik heb ook twee broertjes en een zusje gehad die met drie maanden zijn overleden," vertelde Paulien nuchter. "Dus eigenlijk hadden ze negen kinderen."

Als oudste kind werd Paulien al vroeg in een verzorgende rol geduwd. Het was geen officiële taak, maar een vanzelfsprekendheid in een druk ondernemersgezin. Haar moeder, Antonia, moest meewerken in de zaak, koffiezetten voor het personeel en het huishouden draaiende houden. "Mijn moeder had het natuurlijk druk... en ze had een hoop kinderen, dus ik hielp mee," zei Paulien. Ze gaf de flesjes, wiegde de baby's en zag van dichtbij hoe kwetsbaar nieuw leven kon zijn. "Ik gaf mijn broertjes altijd de fles. Dat vond ik leuk. Ja, ik heb ze echt allemaal meegemaakt."

De meest ingrijpende gebeurtenis uit haar vroege jeugd was het overlijden van haar zusje Marietje in augustus 1939, vlak voor het uitbreken van de oorlog. Marietje was slechts twee maanden oud. Paulien was toen zes jaar. Haar vader, de man die normaal gesproken zweeg en werkte, nam haar op dat moment bij de hand voor een les die ze nooit zou vergeten.

"Mijn vader was nooit zo'n verteller, hè, die was altijd een beetje in zichzelf," schetste Paulien zijn karakter. "Maar dan bedenk ik me weleens: dat is waar ook, want dan zei mijn vader: 'Ga eens even mee naar Marietje.'" Hij nam haar mee naar het wiegje waar het kindje lag te vechten voor haar laatste ademteugen. In plaats van haar weg te sturen of de waarheid te verbloemen, koos hij voor een rauwe eerlijkheid.

"Dan ging ik mee en dan vertelde hij echt: 'Ja, Marietje gaat dood, want zie je, ze krijgt haast geen adem meer en ze ziet helemaal blauw.'"

Het beeld van het blauw aanlopende kindje stond in Pauliens geheugen gegrift. "Kijk, zie je hoe blauw ze is? Hij zei: 'Want ze gaat dood.' En dan vertelde hij dat allemaal," herhaalde ze. Het was een moment van intense verbondenheid in verdriet, waarbij haar vader zijn oudste dochter als een volwassene behandelde en haar deelgenoot maakte van de harde werkelijkheid. "Mijn vader was helemaal geen prater, hoor... Maar dat vertelde hij toen allemaal."

De begrafenis die volgde was een plechtige aangelegenheid, doordrenkt van de rituelen van die tijd. Omdat haar moeder nog in het kraambed lag en niet naar buiten mocht, was het aan de kleine Paulien om haar vader te vergezellen. "Ik weet nog goed, mijn moeder lag nog in het kraambed en toen mocht ik mee naar de begrafenis," vertelde ze. Ze herinnerde zich de koets met het paard ervoor, en het kleine witte kistje dat naast hen op de bank werd gezet. "Ik zat bij mijn vader en zo gingen we naar de begraafplaats. Dat weet ik nog zo goed."

Deze ervaringen vormden een harde leerschool voor een kind dat nog geen zeven jaar oud was. Ze leerde verantwoordelijkheid dragen, zorgen voor wie zwakker was, en accepteren dat de dood een onderdeel was van het leven. Het maakte haar, zoals ze zelf zei, "bijdehand" en vroegrijp. "Als je de oudste bent, word je toch anders opgevoed... Er werd jou toch wat meer toevertrouwd".

De onbezorgde jaren, waarin de grootste zorg het vlechten van haren of het spelen in de kas was, liepen op hun einde. De dreiging van buitenaf werd steeds tastbaarder, totdat op die ene ochtend in mei het gebrom in de lucht niet meer te negeren was.

Hoor Paulien zelf vertellen

In dit fragment vertelt Paulien over de vliegtuigen boven Rotterdam, zoals je aan het begin van dit hoofdstuk las.

Bekijk de fragmenten bij dit hoofdstuk

Een boek voor jullie familie

Kies het boek